1. Een coach heeft zelfkennis, zelfvertrouwen en een authentieke en transparante
werkwijze. De gecoachte staat centraal, niet hij (of zij!). Hij heeft een doorleefde
visie op coachen en leren, kent zijn mogelijkheden en beperkingen en bewaakt zijn
grenzen. Hij weet niet alleen veel, hij laat het ook zien, gebruikt verschillende
modellen en methoden, en blijft zichzelf evalueren en ontwikkelen.

2. Een coach heeft vertrouwen in het vermogen van de gecoachte keuzes te maken
en zelf zijn koers uit te zetten, te leren van zijn ervaringen en zelf oplossingen te
vinden. Hij werkt door ‘niet te weten en niet te werken’ (de koers en inhoud van het
traject laat hij over aan de gecoachte).

3. Hij werkt op basis van gelijkwaardigheid en er is commitment over rollen en
werkwijze. Hij verplicht zich tot resultaatgericht en gefaseerd werken, waarbij de
weg ook als doel wordt gezien.

4. Hij benadert situaties met open vizier en vanuit verschillende invalshoeken,
maar altijd positief en ontwikkelingsgericht, waarbij hij de gecoachte en diens
leerthema’s, waarden en verlangens centraal stelt, niet de inhoud. Hij zet aan tot
bewustwording, beweging en perspectiefverbreding.

5. Nieuwsgierigheid en compassie gaan bij hem hand in hand. De gecoachte heeft
zijn interesse en volledige aandacht vanuit een respectvolle en accepterende
grondhouding.

6. Een coach is zeer goed in: actief luisteren, vragen stellen, confronteren en het
inzetten van intuïtie. Hij is in staat gedrags- en denkpatronen en leerthema’s te
signaleren, te benoemen en bespreekbaar te maken. Hij maakt optimaal gebruik
van wat er besproken wordt en van wat zich voordoet tijdens een coachbijeenkomst.

7. Hij heeft oog voor contextuele factoren en focust op de beïnvloedingsmogelijkheden
van de gecoachte daarbinnen.

8. En, héél belangrijk: hij gaat zorgvuldig en vertrouwelijk om met informatie.

Hier ga je naar home »